Naar de inhoud
Woningbouw

Hoe stimuleer je industrieel bouwen zonder de concurrentie te verstoren?

Industrieel bouwen heeft geen subsidie per woning nodig, maar een gelijk speelveld. Richt de marktinterventie op de interactie met de traditionele bouw.

Jente Waal ·

Richt de interventie op de interactie tussen de nieuwe en de bestaande markt, niet op de nieuwkomer zelf. Industrieel bouwen heeft geen subsidie per woning nodig maar een gelijk speelveld, zodat afnemers, financiers en waarborginstellingen de waarde van het product kunnen wegen. Dan wint het concept dat beter is, en niet het concept dat het meeste geld krijgt.

Productiviteit groeit alleen als er ook iets mag verdwijnen

Het rapport Wennink uit december 2025 legt de lat op een productiviteitsgroei van 1,5 tot 2,0 procent per jaar en doet negenentwintig aanbevelingen om daar te komen. Op pagina 20 benoemt het rapport creatieve destructie expliciet als motor van die groei. Productiviteit stijgt niet doordat iedereen iets harder werkt, maar doordat betere manieren van produceren de oude verdringen.

Die dynamiek is in de bouw al decennia zwak. De sector wordt gedomineerd door projectmatig werken, waarin elk gebouw opnieuw wordt bedacht en elke fout opnieuw wordt gemaakt. Er is weinig dat de bestaande manier van werken onder druk zet.

Industrieel bouwen is de kandidaat om die druk te leveren

Industriële bouwvormen brengen innovatie in een sector die lang heeft stilgestaan. Lichter, duurzamer, en met processen die je kunt optimaliseren omdat ze zich herhalen. Voor de woonopgave is dat geen technisch detail maar maatschappelijke waarde: sneller bouwen, met minder materiaal en minder faalkosten.

De vraag is dus niet of deze manier van bouwen waarde heeft. De vraag is waarom hij niet vanzelf doorbreekt.

Het speelveld is niet gelijk, en dat is het echte probleem

Een industrieel concept concurreert niet alleen op prijs en kwaliteit. Het concurreert ook tegen een omgeving die is ingericht op de traditionele werkwijze. Financiering, waarborgen, aanbestedingsvormen en afnamezekerheid zijn ontworpen rond projecten, niet rond producten. Wie in een fabriek investeert, heeft volume nodig voordat het rendeert, terwijl de afnemer pas wil tekenen als het product zich heeft bewezen.

Dat is geen marktfalen dat zichzelf oplost. Het is een set afspraken die ooit logisch was en nu een nieuwkomer afremt die op de merites van zijn product zou winnen.

Waar 5p aan werkt met Invest-NL en De Bouwcampus

In het traject met Invest-NL en De Bouwcampus ontwerpen we instrumenten die dat speelveld gelijker maken. Niet om bouwers met publiek geld te spekken, maar om ze beter te laten concurreren op de waarde van hun product. Dat vraagt kennis van de markt, van financiering en van transities tegelijk, en een analyse die verder gaat dan de vraag of iets aardig klinkt: is het toepasbaar, is het haalbaar, en wat is de impact?

Dat doen we met de partijen die het samen moeten waarmaken: afnemers, financiers, waarborginstellingen en bouwers. Eerder werkte ik met Invest-NL en De Bouwcampus aan een analyse van de knellingen voor opschaling van de industriële bouwmarkt en de oplossingsrichtingen die daarbij horen. Twee lessen daaruit. Je moet met de huidige markt praten om de dynamiek te begrijpen. En je moet nadenken over de deelnemers in de toekomstige markt, want dat hoeven niet dezelfde partijen te zijn.

Een interventie die de concurrentie verstoort, mislukt op termijn

Steun per woning of per fabriek voelt daadkrachtig en is riskant. Het beloont wie het snelst de subsidie vindt in plaats van wie het beste product maakt, en het creëert een afhankelijkheid die je later niet meer weg krijgt zonder de sector te beschadigen.

Drie ontwerpregels houden een interventie eerlijk.

Grijp aan op de interactie met de bestaande markt, dus op financiering, waarborging en inkoop, en niet op de deelnemer zelf.

Weet waar de maatschappelijke waarde zit en wat dat betekent voor de inrichting van de markt. ASML werkt omdat het een monopolist is in een ecosysteem van oligopolisten en vrije concurrentie. In de industriële bouw willen we dat juist niet, daar is het doel een markt met voldoende aanbieders naast elkaar. Een interventie stuurt dus op marktkenmerken: prijs, aanbod, toetreding en risicoverdeling. De vraag is steeds welke kant je die kenmerken op wil bewegen, en waarom.

Meet op de merites van het product, zodat een concept dat niet beter is ook gewoon verliest.

Wat dit vraagt van bestuurders en investeerders

Veel economische sectoren dragen bij aan grote maatschappelijke doelen en hebben tijd en ondersteuning nodig om tot wasdom te komen. Dat rechtvaardigt ingrijpen, maar alleen ingrijpen dat de dynamiek vergroot in plaats van vastzet. Effectief economisch beleid maakt creatieve destructie mogelijk vanuit een gedeeld maatschappelijk belang, en accepteert dat daar verliezers bij horen.

Voor een bestuurder of financier die hierin een positie kiest, is dat de toetsvraag bij elk voorstel: vergroot dit instrument de concurrentie op waarde, of vervangt het die door concurrentie om publiek geld?

Dit vraagstuk raakt aan inspelen op een veranderende omgeving en aan het doorgronden van je financiële positie.

Jente Waal adviseert bestuur en directie over strategie, financiën en governance, bij publieke en semipublieke organisaties en bij private partijen met een publiek belang.

Terug naar de kennisbank